De impact van fiscale veranderingen op de BV Nederland
Het Belastingplan 2026 brengt geen grote tariefsprongen, maar wel scherpere lijnen: minder arbitrage, meer vergroening en strakkere dataverplichtingen. Nederland verschuift van “fiscale finesse” naar zekerheid en uitvoerbaarheid. Voor CFO’s betekent dit: minder focus op tarieven, meer op voorspelbaarheid en compliance.
De belangrijkste belastingtarieven blijven in 2026 gelijk. De aandacht verschuift naar Europese kaders zoals CBAM (CO₂-heffing aan de grens) en DAC9 (gegevensuitwisseling en rapportage). Het vestigingsklimaat draait steeds meer om duidelijke definities, werkende portalen en tijdige overgangsregels. Goed werkende uitvoering vergroot de betrouwbaarheid van Nederland als vestigingsland; haperingen leiden tot frictie en onzekerheid.
Kapitaal en krediet
Voor banken en verzekeraars wordt de minimumkapitaalregel strenger. De uitzondering voor treasury-activiteiten vervalt voor leningen bij natuurlijke personen, waardoor de kans op niet-aftrekbare rente toeneemt. Dit vraagt om scherpere kredietvoorwaarden en een hogere WACC (weighted average cost of capital) in businesscases. Leningconvenanten moeten worden herzien op triggers bij renteaftrekbeperkingen.
Aan de investeringskant geldt het jaarlijkse EIA-plafond van 151 miljoen euro voortaan per belastingplichtige, ook bij samenwerkingsverbanden. Plafonds stapelen is niet meer mogelijk, waardoor prioritering in groene capex noodzakelijk wordt: projecten met de grootste CO₂-reductie per euro krijgen voorrang.
Het overgangsrecht voor FGR’s loopt tot 1 januari 2028 en geldt ook voor FGR’s die vanaf 2025 zijn opgericht, mits alle participanten tijdig instemmen. Dit biedt ruimte om zonder frictie naar de gewenste eindstructuur toe te werken.
Handel en ketens
Vanaf 2026 is CBAM operationeel. Importeurs moeten zich registreren en CO₂-kosten afrekenen via certificaten. Inkoopprocessen moeten worden aangepast: productdata per leverancier, emissies per zending en contracten met prijstriggers. Een te hoge footprint vraagt om aanpassing van de leveranciersmix. Vooral staal, cement en kunstmest worden geraakt, maar de effecten strekken zich uit tot bouw, infrastructuur en maakindustrie. CO₂ wordt een direct onderdeel van de kostprijs en marge.
Arbeid en mobiliteit
De ET-kostenregeling wordt versoberd: kosten voor levensonderhoud en privécommunicatie zijn niet langer onbelast te vergoeden. Beloningspakketten voor grenswerkers en expats moeten worden herzien, inclusief nettolooncomponenten en cafetaria-opties. In 2027 daalt de 30%-regeling naar 27%. Snelheid in onboarding en heldere processen worden belangrijker.
Mobiliteit krijgt een duidelijke fiscale prikkel. Vanaf 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% voor fossiele leaseauto’s met privégebruik, met overgang tot 17 september 2030 voor bestaande auto’s. De EV-bijtellingskorting wordt afgebouwd: 18% in 2026, 20% in 2027 tot 30.000 euro; daarboven 22%. EV-first vloten zijn in het voordeel; wie later instapt ziet de TCO oplopen. De RVU-drempelvrijstelling wordt structureel, met een hoger drempelbedrag en een oplopende pseudo-eindheffing boven die grens.
Vermogen en DGA
De lucratiefbelangregeling wordt aangescherpt. De box-2-schijven worden 28,45% en 36%, waarbij het toptarief pas in 2028 ingaat. In box 3 vervallen de verhoging van het fictieve rendement en de verlaging van de vrijstelling. De tegenbewijsregeling voor obligaties wordt aangepast met terugwerkende kracht. Voor IB-ondernemers veranderen de MKB-winstvrijstelling (12,70%) en de zelfstandigenaftrek (1.200 euro).
Ondernemers en CFO’s doen er goed aan dividendmomenten en uitkeringsroutes te herevalueren, de asset-mix en financiering te toetsen op netto-rendement, en liquiditeitsplanning te actualiseren op basis van de nieuwe box-2/box-3-parameters.
Indirecte belastingen en verbruiksprikkels
Culturele diensten blijven onder het 9%-tarief vallen. Voor logies ligt een verhoging naar 21% op tafel, terwijl moties zijn ingediend om het lage tarief aan te houden. Hotels en parken kunnen anticiperen met prijsdifferentiatie en yield-management. De accijnsverlaging op brandstof tot eind 2026 gaat niet door. De verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken wordt aangescherpt om ontwijking te voorkomen.
Aan de milieukant spelen meerdere prikkels tegelijk. De mrb-korting voor EV’s is 30% in 2026–2028 (25% in 2029). De vliegbelasting differentieert vanaf 2027 naar afstand; vanaf 2030 komt er een extra heffing voor privéjets. De heffingskorting in de energiebelasting daalt licht, het heffingsplafond voor leidingwater stijgt tijdelijk in 2026 en de afvalstoffenbelasting loopt op richting 2035. Voor water- en afvalintensieve sectoren betekent dit hogere kosten per volume-eenheid en meer aandacht voor besparing, hergebruik en contractindexatie.
Multinationals: gelijker speelveld, hogere datadiscipline
De tweede aanpassing van de Wet minimumbelasting sluit aan bij OESO-richtlijnen en regelt afwijkende boekjaren, latente belastingen en hybride transacties. Met DAC9 wordt TTIR juridisch verankerd; één centrale indiening in Nederland is mogelijk en de eerste automatische uitwisseling vindt niet vóór 1 december 2026 plaats. CFO’s moeten meer aandacht besteden aan datakwaliteit, reconciliatie tussen entiteiten en een voorspelbare effectieve tax rate (ETR).
Sectorimpact: waar schuurt het, waar ligt de kans?
- Financiële sector: Directe impact van de aangescherpte minimumkapitaalregel. Treasury-leningen via natuurlijke personen vallen buiten de uitzondering, waardoor sneller niet-aftrekbare rente ontstaat. Reken op selectiever krediet en scherpere prijsstelling bij hogere leverage.
- Zware industrie en bouwmaterialen: CBAM maakt CO₂ inzichtelijk bij inkoop. Winnaars elektrificeren en sluiten kringlopen; verliezers blijven afhankelijk van grijze inputs. Contracten, indexaties en leveranciersmix moeten worden herzien.
- Logies & leisure: Een mogelijke btw-verhoging op korte verblijven naar 21% drukt direct op de marge. Het 9%-tarief voor cultuur ondersteunt regionale bestedingen. Prijsstrategie, bundeling en seizoensspreiding worden belangrijker.
- Tech, life sciences en hoofdkantoren: Versobering van ET-kosten en daling van de 30%-regeling naar 27% vragen herijking van expat-pakketten. Snelheid, relocatieservice en duidelijke interne processen maken het verschil.
- Transport en bouw: Geen accijnsverlaging; bijtelling en de 12%-heffing vanaf 2027 sturen richting versnelde elektrificatie. TCO-modellen kantelen naar uitstootarm.
- Water- en afvalintensieve sectoren: Hoger water- en afvalniveau na 2026 werkt direct door in de kostprijs. Focus op besparing, hergebruik en contractuele indexatie loont.
Vestigingsklimaat
Nederland biedt minder fiscale randjes en meer vaste kaders. Voor organisaties die leunen op grensoptimalisatie is dat een nadeel. Voor partijen die sturen op een voorspelbare ETR, digitale processen en EU-harmonisatie juist een voordeel. De doorslag ligt bij de uitvoering: heldere NEa-regels, werkende CBAM- en TTIR-portalen en praktische handreikingen. Werkt dit, dan wint Nederland aan bestuurbaarheid; stokt het, dan nemen kosten en onzekerheid toe.
Stabiliteit en bestuurbaarheid
2026 is geen breukjaar, maar wel richtinggevend. Kapitaal wordt kritischer geprijsd, arbeidsvoorwaarden soberder en CO₂- en volumebelastingen werken zichtbaarder door in de keten. Voor internationale groepen komt daar striktere datadiscipline bij. Wie investeringsvolgorde, beloningspakketten en inkoopdata nuchter herijkt, maakt van wijzigingen voorspelbare marges in plaats van onzekerheid. Nederland concurreert niet langer op het laagste tarief, maar op duidelijkheid, uitvoerbaarheid en een betrouwbare effectieve belastingdruk. Dat past bij een vestigingsklimaat dat inzet op stabiliteit en bestuurbaarheid.
Lees hier meer over het Belastingplan 2026.